Oorsprong


De Mongoolse gerbil is de afgelopen jaren een geliefd huisdier geworden en voor velen niet meer weg te denken. Maar toch kennen we de Mongoolse gerbil als huisdier nog niet zo lang.

Pas toen pater Armand David in 1867 een aantal opgezette Mongoolse gerbils naar het Natuur Historisch Museum in Parijs stuurde kregen ze hun naam. Ze kregen de Latijnse naam Meriones Unguicalatus, wat geklauwde krijger betekend.

In 1935, bijna 70 jaar na de naamgeving, werd er een twintig tal wilde fokpaartjes gevangen. Deze 40 gerbils worden gezien als de voorouders van alle gerbils die wij tegenwoordig als huisdier houden. In de begin jaren werden deze dieren niet als huisdier gehouden maar enkel voor de wetenschap, tot men tot de conclusie kwam dat het hele geschikte huisdiertjes zijn.

Gerbils zijn knaagdieren (rodentia) die tot de zelfde familie behoren als hamsters. In veel boeken zal je de onderstaande tabel ook vinden.

Rijk Dierenrijk Regnum animale
Superklasse Gewervelde dieren Vertebrata
Klasse Zoogdieren Mammalia
Orde Knaagdieren Rodentia
Suborde Muisachtige knaagdieren Myomorpha
Superfamilie Muisachtigen Muroidea
Familie Hamsters en woelmuisachtige Cricetidae
Onderfamilie Renmuizen Gerbillinae
Geslacht Woestijnmuizen of Zandmuizen Meriones
Soort Mongoolse gerbil Meriones Unguiculatus

De Mongoolse gerbil komt voor in centraal Aziƫ, voornamelijk Mongoliƫ. Het landschap is droog en dor (half woestijn en steppe) met strenge en extreme temperaturen.

Een gerbil heeft maar weinig natuurlijke vijanden, doordat er maar weinig dieren zijn aangepast aan het leven in deze extreme omstandigheden. Om te leven in dit klimaat moet je eigenlijk weinig water verbruiken, goed tegen temperatuurschommelingen kunnen en het liefst niet al te veel voeding nodig hebben om te overleven. Grote roofdieren vind je er dan ook eigenlijk niet. De twee belangrijkste roofdieren, mede natuurlijke vijanden van de gerbil, zijn slangen en roofvogels.

Om niet als maaltje te eindigen is de gerbil uitgerust met kangoeroeachtige pootjes, waarmee ze ruim een meter ver en 50 cm hoog kunnen springen wanneer ze in angst zijn. Bovendien hebben ze een uitstekend gehoor en een goede neus. Een gerbil staat ook vaak op zijn achterpootjes, op de uitkijk voor gevaar, zoals je meerdere knaagdieren ziet doen (hazen, prairiehondjes)

In het wild komen alleen de (wildkleur) agouti-kleur gerbils voor. Waar veel dieren bij elkaar leven kunnen kleurmutaties ontstaan, zoals zwart en "albino" maar omdat zij een schutkleur missen hebben ze bijna geen overlevingskans.

Gerbils kunnen ondanks dat ze leven in een woestijn niet goed tegen extreme warmte of kou. Daarom zijn ze uitgerust met een viertal klauwtjes, waarmee ze prachtige holen en burchten graven. Op het heetst van de dag en 's nachts zijn ze daar te vinden.

Deze holen bieden een thuis voor 1 familiegroep, die bestaat uit een dominant paar, en een aantal generaties jongen. Uiteindelijk worden de oudste jongen verjaagd, als ze niet al zijn opgegeten. De holen hebben meerdere uitgangen en slaapgedeeltes en voorraadkamers. Overigens heb ik een tamme gerbil nog nooit zien "hamsteren" maar ze blijken het in de natuur zeker wel te doen.

Omdat er weinig water is in de woestijn zijn gerbils spaarzaam met water. Ze urineren weinig, de uitwerpselen zijn droog en op het heetst van de dag liggen ze koel ondergronds zodat ze zo min mogelijk zweten. Het vocht dat ze nodig hebben komt voornamelijk uit voeding en het likken van dauwdruppels aan planten en grassen in de ochtend.